Wat heeft God met Israël?

Met Abram is het begonnen (Gen. 12: 2): ‘Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn’. En Genesis 15 vertelt van een verbondsluiting tussen de HEERE en Abram; in vers 18 lezen wij: ‘Aan uw nageslacht heb ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat’. Maar van nageslacht is nog helemaal geen sprake: Abram en zijn vrouw Saraï zijn al op leeftijd, maar zijn nog steeds kinderloos. Zij krijgen van de HEERE nieuwe namen, Abraham en Sara, en Hij belooft hun een zoon met de naam Izak, als het – naar de mens gesproken – al lang niet meer mogelijk is (zij zijn 100 resp. 90 jaar!). Deze Izak is de vader van aartsvader Jakob, die later door de HEERE Israël wordt genoemd. De HEERE leidt het zó, dat Jozef – één van Israëls zonen – onderkoning van Egypte wordt en de hele ‘Israëlclan’ van een zekere hongerdood kan redden door ze te laten overkomen. Later wordt Mozes geroepen om zijn volk, dat inmiddels tot slavernij is vervallen, te bevrijden door het uit Egypte te leiden naar het beloofde land. Deze bevrijding wordt door het huidige Israël nog steeds gevierd: het jaarlijkse Pesachfeest. Door de Eeuwige is Israël – door onmogelijkheden heen – in het leven geroepen én gehouden, als ‘Zijn dienaar’. Door dit volk wil Hij zijn heilsplan voor een wereld, verloren in schuld, ten uitvoer brengen. Jes. 49: 6 : Hij zei: “Dat je Mijn dienaar bent om de stammen van Jakob op te richten en de overlevenden van Israël terug te brengen, dat is nog maar het begin. Ik zal je maken tot een licht voor alle volken, opdat de redding die Ik brengen zal, tot aan de einden der aarde reikt”.