Wisseling van de seizoenen

Voorjaar… het is begonnen. De krokussen en narcissen schieten de grond uit. Na veel grauwe en grijze dagen zien we de zon weer steeds vaker.

Over de verschillende seizoenen vind je niet zo veel in de bijbel. Maar dat ze bestaan, wordt in Genesis al verteld. Zo vertelt God aan Noach dat de seizoenen elk hun eigen functie hebben: wanneer moet er gezaaid worden en wanneer geoogst? En in Spreuken staat dat elk seizoen zijn eigen kenmerken heeft: ‘Zoals sneeuw niet bij de zomer past, en regen niet bij de oogst, zo past eer niet bij een dwaas.’

Seizoenen waren in de tijd van de bijbel nog belangrijker dan bij ons. De mensen waren voor een goede oogst afhankelijk van de regen in het voor- en najaar. De seizoenen bepaalden zelfs wanneer het een geschikt moment was om oorlog te voeren. ‘Bij het aanbreken van het voorjaar, de tijd waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken, stuurde David opnieuw een leger eropuit…‘ (2 Samuël 11:1). En dit zien we ook terug in Jakobus 5:7 waarin de schrijver zijn lezers vergelijkt met een boer die geduldig moet wachten op de oogst. Net als deze boeren moeten de gelovigen geduldig blijven wachten tot het moment waarop God komt.

Seizoenen als zegeningen
De seizoenen zijn aan de mensen gegeven door God om op aarde te kunnen leven. De verschillende jaargetijden zijn een zegening van God (Deuteronomium 33:14). De dichter van Psalm 74 zingt over God die de verschillende seizoenen gemaakt heeft:

‘U hebt de grenzen van de aarde bepaald, zomer en winter – u hebt ze gevormd.’

Paulus en Barnabas vertellen aan de mensen in Lystra hoe God voor alle mensen zorgt, doordat hij hun de mogelijkheid heeft gegeven om voedsel te verbouwen:

‘Hij heeft in het verleden alle volken hun eigen weg laten gaan, maar heeft toch blijk gegeven van zijn goedheid: vanuit de hemel heeft hij u regen geschonken en vruchtbare seizonen, hij heeft u overvloedig te eten gegeven en u zodoende vreugde gebracht.’ (Handelingen 14:17)

Voor alles is een tijd
Soms ervaren mensen hun eigen leven ook als een wisseling van seizoenen. Je wordt geboren, je groeit op, je wordt ouder en je sterft. In Prediker 3 lezen we dat er voor alles een tijd, een eigen seizoen is. Er zijn tijden waarop we met volle teugen van het leven kunnen genieten, maar er zijn ook tijden waarop het leven soms zwaar en moeilijk is.

‘Voor alles wat gebeurt is er een uur, een tijd voor alles wat er is onder de hemel. Er is een tijd om te baren, en een tijd om te sterven, een tijd om te planten en een tijd om te rooien.’ (Prediker 3: 1-2)

Bron: www.debijbel.nl